Woningbouwvereniging Beter Wonen

Medehuurder

Terug naar "Ik ben een huurder"

Medehuurderschap is primair geregeld in het Burgerlijk Wetboek en te vinden in de artikelen 7:266, 7:267 en 7:268BW.

Tekst van de wet

Onderafdeling 3. Medehuur en voortzetting van de huur

Artikel 266

  1. De echtgenoot of geregistreerde partner van een huurder is van rechtswege medehuurder, zolang de woonruimte de echtgenoot of geregistreerde partner tot hoofdverblijf strekt, ongeacht of de huurovereenkomst voor dan wel na het aangaan van het huwelijk of van het geregistreerde partnerschap is gesloten.
  2. Voor de verplichtingen uit de huurovereenkomst, behalve voor zover deze reeds opeisbaar waren voordat de echtgenoot of geregistreerde partner medehuurder werd, zijn de huurder en de medehuurder jegens de verhuurder hoofdelijk aansprakelijk.
  3. Indien de huurovereenkomst ten aanzien van de huurder eindigt, wordt de medehuurder huurder.
  4. Indien de in lid 1 bedoelde echtgenoot of geregistreerde partner hetzij ingevolge een beschikking als bedoeld in artikel 826, lid 1 onder a, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, hetzij ingevolge onderlinge overeenstemming in verband met een verzoek tot echtscheiding of scheiding van tafel en bed, dan wel ingevolge beëindiging van geregistreerd partnerschap niet het gebruik heeft van de echtelijke woning, brengt dit voor de toepassing van dit artikel geen verandering in het hoofdverblijf.
  5. In geval van echtscheiding of scheiding van tafel en bed of beëindiging van geregistreerd partnerschap kan de rechter op verzoek van een echtgenoot of geregistreerde partner bepalen wie van de echtgenoten of geregistreerde partners huurder van de woonruimte zal zijn. De rechter bepaalt tevens de dag van ingang van de huur met deze echtgenoot of partner. Op dezelfde dag eindigt de huur met de andere echtgenoot of partner.

Artikel 267

  1. Indien op het gezamenlijk verzoek van een huurder en van een andere persoon die in de woonruimte zijn hoofdverblijf heeft en met de huurder een duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft, alsmede van een medehuurder wanneer die er is, de verhuurder niet binnen drie maanden schriftelijk heeft verklaard er mede in te stemmen dat die andere persoon medehuurder zal zijn, kunnen de huurder en die andere persoon, alsmede een medehuurder wanneer die er is, gezamenlijk verzoeken dat de rechter zal bepalen dat deze persoon met ingang van een in het vonnis te bepalen tijdstip medehuurder zal zijn.
  2. Nadat een verzoek aan de verhuurder als bedoeld in lid 1 is gedaan, kan een vordering tot ontbinding van de huur op de grond dat de huurder in strijd met hetgeen overeengekomen is, met een ander in de woonruimte een gemeenschappelijke huishouding heeft, niet meer worden toegewezen. Deze grond levert alsdan evenmin een grond voor opzegging van de huurovereenkomst op.
  3. De rechter wijst de vordering bedoeld in lid 1 slechts af:
    1. indien de persoon bedoeld in lid 1 niet gedurende tenminste twee jaren in de woonruimte zijn hoofdverblijf heeft en met de huurder een duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft;
    2. indien, mede gelet op hetgeen is komen vast te staan omtrent de gemeenschappelijke huishouding en de tijdsduur daarvan, de vordering kennelijk slechts de strekking heeft de persoon bedoeld in lid 1 op korte termijn de positie van huurder te verschaffen;
    3. indien de persoon bedoeld in lid 1 vanuit financieel oogpunt onvoldoende waarborg biedt voor een behoorlijke nakoming van de huur.
  4. Voor de verplichtingen uit de huur zijn de persoon die de huur heeft aangegaan en ieder van de personen die op grond van dit artikel medehuurder of huurder is, hoofdelijk jegens de verhuurder aansprakelijk, met dien verstande dat een medehuurder niet aansprakelijk is voor verplichtingen die reeds opeisbaar waren voordat hij medehuurder werd.
  5. De bepalingen omtrent het eindigen van de huur zijn op de personen bedoeld in lid 4 afzonderlijk van toepassing met dien verstande dat een persoon de hoedanigheid van medehuurder in ieder geval verliest, indien hij zijn hoofdverblijf niet langer in de woonruimte heeft. Indien de huur ten aanzien van de huurder eindigt, wordt de medehuurder huurder.
  6. Is ten aanzien van de woonruimte hoofdstuk II van de Huisvestingswet van toepassing, dan zet de medehuurder in afwijking van lid 5 de huur slechts voort, indien de rechter dit heeft bepaald op een daartoe door die persoon binnen acht weken na het tijdstip waarop hij huurder is geworden, ingestelde vordering en in elk geval zolang op deze vordering nog niet onherroepelijk is beslist. De rechter wijst de vordering slechts af, indien de eiser niet een voor hem geldende huisvestingsvergunning als bedoeld in artikel 7 lid 1 van die wet overlegt.
  7. Ieder van de personen bedoeld in lid 4 kan vorderen dat de rechter zal bepalen dat een of meer van deze personen de huur met ingang van een in het vonnis te bepalen tijdstip niet langer zullen voortzetten. De rechter wijst de vordering slechts toe, indien dit naar billijkheid, met inachtneming van de omstandigheden van het geval, geboden is, met dien verstande dat hij de vordering in ieder geval toewijst, indien de eiser aantoont dat de persoon waarop de vordering betrekking heeft, zijn positie van medehuurder heeft verkregen op grond van een niet mede door de eiser aan de verhuurder gedaan verzoek of van een door hem ingestelde vordering bedoeld in lid 1.

Artikel 268

  1. Bij overlijden van de huurder zet de medehuurder de huur als huurder voort. Hij kan de huur binnen zes maanden na het overlijden bij exploot of aangetekende brief opzeggen met ingang van de eerste dag van de tweede maand na de opzegging.
  2. De persoon die niet op grond van lid 1 huurder wordt, doch wel in de woonruimte zijn hoofdverblijf heeft en met de overleden huurder een duurzame gemeenschappelijk huishouding heeft gehad, zet de huur voort gedurende zes maanden na het overlijden van de huurder; de tweede zin van lid 1 is van toepassing. Hij zet de huur ook nadien voort, indien de rechter dit heeft bepaald op een daartoe strekkende binnen die termijn ingestelde vordering, en in elk zolanop deze vordering niet onherroepelijk is beslist.

Daarnaast heeft een woningverhuurder de vrijheid om minder stringente regels voor medehuurderschap toe te passen. Dit is alleen mogelijk wanneer ze niet in strijd zijn met de hiervoor genoemde artikelen van het BW. In de Algemene Bestuursvergadering van 5 maart 2014 zijn nadere regels voor het toekennen van medehuurderschap vastgesteld en zijn als volgt:

REGELING TOT HET TOEKENNEN VAN MEDEHUURDERSCHAP

  1. Iedere bewoner kan medehuurderschap aanvragen voor de woning waarin hij op dat moment daadwerkelijk woonachtig is.
  2. Een dergelijk verzoek wordt schriftelijk ingediend bij het bestuur  en wordt ondertekend door de huurder en de medebewoner(s) die voor medehuurderschap in aanmerking wensen te komen.
  3. Het dagelijks bestuur neemt een beslissing op het verzoek en deelt dit schriftelijk mede aan de aanvragers.
  4. De bepalingen van het Burgerlijk Wetboek zijn onverkort van toepassing.
  5. Voor het verkrijgen van medehuurderschap gelden de volgende voorwaarden:
    1. huurder en aanvrager zijn handelingsbekwaam;
    2. huurder en aanvrager zijn handelingsbevoegd;
    3. de huurder en de aanvrager voeren minimaal 20 jaar een duurzame huishouding;
    4. indien sprake is van een gezamenlijke huishouding korter dan 20 jaar dan dient aangetoond te worden dat er sprake is van een CIZ of AWBZ zorgindicatie;
    5. medehuurderschap wordt niet verleend als op het tijdstip van de aanvraag bekend is dat de huurder de woning gaat verlaten. Dit kan het geval zijn als huurder geïndiceerd is voor opname in een verzorgingstehuis o.d.;
    6. medebewoner moet over voldoende financiële middelen beschikken om de huur te kunnen voldoen;
    7. door het verkrijgen van het medehuurderschap is de medebewoner ook aansprakelijk ingeval van huurachterstand, overlast, etc.;
  6. Wanneer de huurder de  huur van de woning beëindigd treedt de medehuurder in de rechten van de huurder;
  7. Hij aanvaardt de woning alsdan in de staat waarin deze zich bevindt en tegen het huurbedrag zoals deze op het moment van opzegging geldt;
  8. Er moet sprake zijn van een passende woning.

Aldus vastgesteld in de vergadering van 5 maart 2014.

de secretaris
L.C. Kieviet

de voorzitter
P.A. Braber

Geen antwoord op uw vraag?

Staat uw vraag er niet tussen? Neem dan contact met ons op en wij beantwoorden uw vraag persoonlijk.